03 maart 2010

Open Content

Het wordt tijd om weer eens wat meer aandacht te besteden aan Open Content en Open Access. Was 2009 nog door SURFfoundation uitgeroepen tot Open Access jaar, is het begin dit jaar een beetje stil geworden rond deze initiatieven.

Nog even uitleggen wat Open Content en Open Access nu eigenlijk is. Open Content gaat er vanuit dat publicaties van artikelen of creatieve uitingen, vrij toegankelijk zijn voor een ieder die hier gebruik van wil maken. Dit is niet helemaal gelijk aan open Access, waar bij nog wel degelijk rechten op de inhoud gelden, maar hier een restrictie op zit van een bepaalde termijn of doelgroep. Dit kan zijn dat deze artikelen bijvoorbeeld na een half jaar vrij ter beschikking komen of dat deze binnen bijvoorbeeld de doelgroep onderwijs vrij toegankelijk zijn.

Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen verdien model achter Open Content of Open Access materialen zit. Echter het businessmodel zit het niet in de content zelf maar in de diensten die naar aanleiding hiervan geleverd worden. Een voorbeeld uit het onderwijs is bijvoorbeeld dat de leermiddelen die in een opleiding gebruikt worden vrij toegankelijk zijn, maar de diensten zoals deelnemen aan een leergang en/of laten afnemen van assessments betaalde diensten zijn. De onderwijsinstelling die zijn materialen vrijgeeft kwalificeert zich hiermee om additionele diensten betaald te kunnen leveren. Een ander voorbeeld uit de entertainment industrie is dat de muziek van een artiest vrij te downloaden is, maar deze artiest trekt hiermee publiek naar de concerten waar is.

Ergens in de vorige eeuw heeft iemand ons doen geloven dat een kopie dezelfde waarde heeft als het origineel. Heeft een foto van de Mono Lisa dezelfde waarde als het originele schilderij? Of heeft een opname van een concert van U2 dezelfde waarde als het originele concert? Traditionele uitgeverijen laten ons in ieder geval geloven van wel. We betalen hier voor eerder geleverde diensten waarvan het merendeel van de inkomsten niet eens belanden bij de originele auteur of artiest. Dit terwijl deze artiesten en auteurs, met de huidige internet technologie, voldoende mogelijkheden hebben om zicht te profileren en zo hun diensten (concerten) aan de markt te brengen. Er komen steeds artiesten welke deze weg ontdekken en bekend raken zonder tussenkomst van de entertainment industrie.

Natuurlijk is dit bedreigend voor de traditionele bedrijfstakken. Zo zullen bijvoorbeeld de uitgeverijen en de entertainment industrie zich moeten beraden over waar hun toegevoegde waarde nu precies ligt. Het beschermen van de content middels copyright blijkt steeds meer een achterhoede gevecht te gaan worden. CD verkopen nemen dramatisch af en het downloaden is, ondanks de protectionistische maatregelen van de gevestigde orde, niet meer te stuiten. Beter is het om nieuwe businessmodellen te omarmen waaruit de toegevoegde waarde van hun diensten blijkt. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de wetenschappelijke uitgeverijen Plos en Biomed central. Deze hebben hun toegevoegde waarde in het redactie proces. De grootste belanghebber is hier de auteur, welke erkenning zoekt voor zijn onderzoek en expertise middels zijn publicaties. Deze is bereid hiervoor te betalen, terwijl de lezer deze content vrij ter beschikking krijgt met de zekerheid van kwaliteit door een professionele redactie. Een ander voorbeeld zijn de gratis kranten zoals Metro welke hun business model gewijzigd hebben naar advertentie inkomsten. Hiermee hebben zij een belang in een zo graat mogelijke (gratis) oplage, aangezien dit hun advertentie prijs bepaald.

Hier hoort een nieuw licentie model bij. Copyright hoort bij de oude wereld en is door de architectuur van het Internet gewoonweg niet te handhaven. Het leidt tot vele zinloze rechtszaken waarmee de gevestigde orde krampachtig probeert haar belangen te verdedigen. Creative Commons past beter bij het Internet en de nieuwe business modellen. Hierbij geeft de auteur de rechten voor het gebruik van zijn materialen, maar heeft wel de mogelijkheid zich hiermee te profileren door naamsvermelding te verlangen en/of enkel andere restricties aan het gebruik te verbinden. Toch vindt deze licentie vorm nog niet de weg naar het grote publiek. Daarom is er blijvende aandacht voor de Open Access en Open Content initiatieven zodat deze modellen geaccepteerd worden bij een breed publiek en bedrijven gestimuleerd worden om te komen tot business modellen welke gericht zijn op hun echte toegevoegde waarde.

29 januari 2010

Mobile Learning heeft een volwassen platform

Al enkele jaren wordt Mobile Learning gepresenteerd als het ultieme mechanisme om leren zo dicht mogelijk op de werkplek van de lerende te krijgen. de mogeijkheden van een gemiddelde smartphone zijn echter door zijn schermgrootte en gebrekkige userinterface beparkt. door de komt van touchscreens op deze apparaten is de userinterface al aanzienlijk verbeterd, maar de schermgrootte bleef een probleem.


Met de lancering van de Apple iPad heeft Mobile Learning eindelijk een platform gekregen waarop kwalitatief hoogwaardige leeractiviteiten kunnen plaatsvinden. met de eenvoud van een mobiele telefoon met touchscreen en de beeldkwaliteit van een Laptop. het is hiermee een apparaat waarmee (leer)bronnen geraadpleegd kunnen worden. voor het ontwikkelen hiervan zullen andere apparaten dominant blijven.

Ik heb hoge verwachtingen van de het gebruik van dit apparaat, al was het alleen maar om de grote hoeveel applicaties er al zijn vanuit het iPhone en iTouch platform. Daarnaast heeft het als alle apple i-producten een hoge gadget waarde. Dit speelt zeker mee in het succes. Zelf ben ik nog wel benieuwd hoe een touchscreen toestenbord aanvoelt.

28 januari 2010

Learning Technologies 2010

Na een jaar van stilte is de Learning Technologies conferentie in London een mooie aanleiding om mijn Weblog weer eens op te pakken. Er is na een jaar van weinig buiten de deur weer wat te melden.

Laten we maar beginnen met een mooie quote uit de opening van de Learning Technologies conferentie; "The major fear of a Learning Department is that the organisation goes out to explore all kinds of learning opportunities, leaving the Learning Department behind with a smaller audience to do its old show.....". Opmerkelijk is ook dat een van de huisregels gewijzigd is in "Laat uw telefoon aan staan". dit zodat er voluit geblogd en getwittert kan worden. Hierdoor is de PC ook nauwelijks meer aanwezig als aanteken gereedschap in de zaal. Er wordt of weer gewoon met pen op papier geschreven of druk getwittert en geblogd op de smartphones.

Hierna gaf Lord Puttnam in zijn keynote speech aan dat de leren na de crisis er nooit meer zo uit gaat zien als voor de crisis. De crisis heeft verschillende initiatieven gestart die leren dichter bij de werkplek, goedkoper en uitdagender heeft gemaakt. Hier gaat de organisatie geen afstand meer van doen. Hiermee trekt hij de parallel naar WOII. Reeds in de oorlog werden er visies ontwikkeld over hoe de naoorlogse samenleving er uit zou zien. Dit zelfde moeten we nu doen voor leren. Het huidige onderwijs is gevormd door de noodzaak van langdurige en uniforme productie capaciteit uit het industriële tijdperk.

De jeugd wordt geconfronteerd met uitdagingen die groter zijn dan ooit in het verleden. Denk hierbij oa. aan natuurrampen, terrorisme en klimaatveranderingen. Hiervoor zal hun generatie moeten komen met nieuwe en slimme oplossingen. Hiervoor zullen ze opgeleid moeten worden. Hierbij is goed onderwijs altijd relevant en blijft, allen wat we onder goed onderwijs verstaan veranderd. Kinderen starten met zich zelf te onderwijzen als wij hier in hun ogen niet toe instaat zijn. Kijk hiervoor naar de voorbeelden op YouTube.

Daarnaast heeft het oude onderwijs een voorliefde voor assessments, toetsen en examens. De nieuwe generatie heeft echter geen behoefte aan deze schijnzekerheid. Het geeft alleen aan dat je goed kunt reproduceren niet of je vaardig bent in jouw praktijk. Men weet zelf heel goed wanneer men succesvol is en wanneer niet. Dit leren ze al in de games. Als je crasht deed je het fout, als je heel aankomt dan deed je het goed. Dit werkt zo ook in de praktijk van alledag. Je bent wel of niet in staat een taak uit te voeren, het onderwijs met je allen helpen deze bekwaamheid te verkrijgen.

Hij gaf aan dat een van de belangrijkste belemmeringen voor de vernieuwing van het onderwijsstelsel de pers is. veel politicy zijn bang voor de publieke opnie en veel ondernemers voor de vakbond. Deze worden in belangrijke mate beïnvloed door het begrip of onbegrip van de pers.


23 december 2008

De studieloopbaanbegeleider als projectmanager van het leertraject

De studieloopbaanbegeleider ondersteunt de deelnemer aan een competentiegericht leertraject bij het maken van zijn persoonlijke leerplan en het valderen van, voor zijn leertraject, relevante praktijksituaties. Hiermee is een nieuwe rol ontstaan in de onderwijs en opleidingen wereld. Hij is geen docent die de inhoudelijke kennis overdraagt aan leerlingen, maar de procesbegeleider van het leertraject, die de deelnemer helpt bij het zelfstandig invullen van het leertraject en het opbouwen van de bewijslast van zijn competentie. Hierbij biedt hij de deelnemer toegang tot een groot aantal leeractiviteiten waar deze al dan niet gebruik van kan maken. 

De inhoud is tot op heden een van de zekerheden van de traditionele docent. Bij de studieloopbaanbegeleider is de inhoud echter niet meer het belangrijkste, hij begeleidt het leerproces. Bij de implementatie van het competentiegericht leren in het bedrijfsleren komt er nog een belangrijk aspect bij; elk leertraject moet rendabel zijn. En de studieloopbaanbegeleider is de uitgelezen persoon om deze rendabiliteit te bewaken. De projectmanager van het leertraject is ontstaan.

In het onderwijs is deze taak tot op heden minder relevant geweest. Bij de aanvan van elk studiejaar worden het aantal aangemelde deelnemers ingeroosterd bij de studierichtingen en beschikbare begeleiders en docenten. De rendabiliteitsvraag ligt hierbij de planning afdeling en wordt hier in de regel maar een keer per jaar gesteld; hebben we voldoende deelnemers voor het aantal begeleiders en docenten? Hierna kan de studieloopbaanbegeleider zich weer volledig op de kwaliteit van het begeleidingstraject storten.

Bij bedrijfsopleidingen laten deelnemers zich echter niet in studiejaren plaatsen. Een deelenemer kan nu eenmaal op elk moment in dienst komen of een nieuwe rol krijgen, daarnaast is het aantal rollen in een organistie divers. Hierdoor is elk leertraject individueel en kan er hooguit wat geoptimaliseerd worden door deelnemers van leertraject voor een gelijke rol bij elkaar in een groep te plaatsen. Daarnaast zijn de middelen waarmee het leertraject bekostigt moet worden altijd beperkt. Deze komen over het algemeen uit het budget van de manager die zijn medewerker opgeeft voor het leertraject en zijn opgebouwd uit de aspecten geld en tijd. Geld kosten de uren van begeleiding en de leeractiviteiten welke door de deelnemer afgenomen worden. Tijd is de tijd die de deelnemer weg is van zijn dagelijkse werk en dus niet kan bijdragen aan de omzet en winst van de organisatie. Als de laatste ook in geld uitgedrukt wordt valt deze over het algemeen nog hoger uit dan de primaire kosten van het leertraject. De manager heeft een continue behoefte aan monitoring van het budget. Diegene met het meeste zicht hierop, is de studieloopbaanbegeleider.

Hierdoor wordt de studieloopbaanbegeleider in het dilemma geplaats om continue een keuze te maken tussen de kwaliteit van de begeleiding en de beheersing van de middelen die hem ter beschikking worden gesteld door de manager van de deelnemer. Hiervoor strat hij dit traject met het maken van een aantal afspraken;
  • Wat is het einddoel van het leertraject (wanneer is de deelnemer competent)?
  • Hoe lang mag het leertraject duren?
  • Hoeveel middelen zijn er beschikbaar voor de uitvoering van leeractiviteiten?
  • Wat is het maximale aantal dagen dat een deelnemer uit de dagelijkse werkzaamheden gehaald mag worden?
  • Wat is de studieinspanning die van de deelnemer verlangt wordt (naast werktijd)
Hierover zal een afspraak worden vastgelegd waar zowel de deelnemer, manager als studieloopbaanbegeleider zich op kunnen beroepen tijdens het traject. Pas als hier duidelijkheid over is kan de deelnemer het leertraject starten en kan de studieloopbaanbegeleider, naast zijn begeleidingsrol, zijn projectmanager rol vervullen.

In hoeverre is de uitbreiding van deze rol nu ook zinvol voor het onderwijs? Hier is welliswaar geen sprake van werkbelasting, er is alleen een studiebelasting. Toch brengt elke deelnemer een eigen budget mee. Zou het niet zinvol zijn als de studieloopbaanbegeleiders uit het onderwijs ook wat bewuster zijn over de uitputting van deze middelen? Zeker als in de onderwijswereld de studiejaren gaan vervagen en men een steeds flexibeler aanbod gaat krijgen zoals bijvoorbeeld het aanbieden van post-HBO opleidingen aan medewerkers van bedrijven....