03 december 2012

EVC's en het erkennen van vakmanschap.


Het EVC is ooit in het leven geroepen als employability instrument door een samenwerking van het ministerie van sociale zaken en het ministerie van onderwijs. Het moest de mobiliteit op de arbeidmarkt vergroten door medewerkers zonder startkwalificatie (MBO of HBO diploma) een rapportage te geven waaruit vakbekwaamheid blijkt. Deze vakbekwaamheid wordt aangetoond door de beroepsproducten die deze medewerker in de loop van zijn carrière heeft gemaakt te laten toetsen op kwaliteit en relevantie. De assessor beoordeelt hier de medewerker zoals een meester zijn gezel beoordeelt conform een standaard die als maatstaf geld in het vakgebied.

Jammer genoeg is de aandacht in de beginperiode voornamelijk gegaan naar EVC als instrument voor een (ver)korte weg naar het MBO of HBO diploma. Onderwijs en particuliere instellingen hebben in het EVC instrument de mogelijkheid gezien om de leerlingenstroom van deeltijd studenten een extra impuls te geven. Veel van de problemen die momenteel in de rapporten van de onderwijsinspectie naar voren komen hebben een relatie met de EVC's volgens de onderwijs profielen. Zoals bijvoorbeeld de problemen met het verzilveren van de afgegeven EVC's bij de examencommissies van de verschillende onderwijsinstellingen, de autonome leesbaarheid van de rapportages en het te makkelijk weggeven van diploma's met te weinig studie-inspanning.
Het gevolg is dat veel onderwijsinstellingen de EVC dienstverlening hebben laten vallen. Dit met de genoemde negatieve associaties op het netvlies.

Wat komt er dan nog terecht van EVC als arbeidsmarkt instrument?
Halverwege dit jaar heeft het ministerie van OCW samen met de sociale partners een nieuw convenant afgesloten waarin alleen nog werkgevers, werknemers en overheid betrokken zijn. Hiermee wordt hernieuwd de koers ingezet naar EVC als employability instrument. Van de drie mogelijke standaarden (MBO, HBO en branche) komt nu de nadruk te liggen op de branchestandaarden. Deze vertegenwoordigen het vakmanschap in een branche en spelen veel beter in op de behoefte van zowel werkgevers als werknemers voor de erkenning van de in de praktijk opgedane competenties. 
Deze vorm van EVC's kennen niet het probleem van beperkte verzilvering of te makkelijk weggegeven diploma's. Ze dienen ook niet direct als opstap naar een vervolgopleiding maar dienen als zelfstandig instrument waarin de medewerker aan zijn huidige of toekomstige werkgever kan aantonen wat hij kan.

Ik hoop dan ook dat de rapporten van de inspectie niet leiden tot een verregaande bureaucratisering van de EVC procedure maar tot een hernieuwde aandacht van EVC als echt arbeidsmarktinstrument.
Een medewerker met 20 jaar ervaring in een bepaald vakgebied heeft tenslotte veel meer aan de erkenning van zijn vakmanschap dan een (ver)korte route naar een papiertje waaruit blijkt dat hij voldoet aan een startkwalificatie voor een vakgebied waarin hij al 20 jaar werkzaam is.

05 november 2012

Learning Analytics

Het nieuwe kapitaal van de internet diensten ligt bij “Big Data”. Dit zijn de grote verzamelingen van gebruikersgegevens achter de dienstenleveranciers zoals Google, Amazon, Facebook, etc. Deze gebruikersgegevens zijn voor de dienstenleveranciers nog veel belangrijker dan de inhoud die al deze gebruikers via deze diensten produceren en/of communiceren. Advanced analytics over big data verzamelingen geven informatie over wie jij bent, welke sites jij zoal bezoekt en wat jouw belangstellingen zijn. Hiermee zijn deze gegevens onmisbaar voor de advertenties die jij op jouw internetpagina’s en mobiele apps ziet en dus ook direct bepalend voor de inkomsten van de dienstenleveranciers. Een goed voorbeeld van hoever dit kan gaan zijn de persoonsgebonden advertenties die je als gebruiker tegenkomt op websites. Weleens op Google het woord “vakantie” of “reis” ingetikt? Dan heb je vast gemerkt dat je de dagen erna er veel advertenties over deze onderwerpen voorbj kwamen.

Zoals Advanced Analytics bepalend is voor doelgerichte advertenties zo kan Learning Analytics bepalend zijn voor de leerinterventies die deelnemers getoond krijgen. Met het groeiende gebruik van digitale werk- en leervormen in organisaties, produceren studenten ook steeds meer user data. Deze user data geeft inzicht in het (leer)gedrag van de medewerker. Daarnaast geeft het de organisatie een indicatie over de competentie-ontwikkeling van de medewerkers. Hierbij geldt wel dat veel leergedrag over een bepaald onderwerp niet automatisch betekent dat de persoon zich net verder ontwikkeld. Wel kunnen we concluderen dat als we geen leergedrag waarnemen, er geen ontwikkeling is. Op basis van het leergedrag kan een begeleider/coach gericht adviseren over eventuele verdere ontwikkelingen, doorverwijzen naar collega’s die met gelijke problematiek bezig zijn en/of de medewerker ondersteunen bij het aantonen van competentie in de nieuwe ontwikkelingen.

Om dit te laten werken moeten we echter wel enkele afspraken maken. Zo dient alle communicatie digitaal te gebeuren, anders levert het geen user data op en is het dus niet traceerbaar. Er moet een uniform platform gefaciliteerd worden waar de medewerkers materialen kunnen publiceren. In de markt zijn al diverse platformen die kennisdeling binnen organisaties ondersteunen. Bekende tools zijn bijvoorbeeld Confluence en Yammer. Daarnaast moet Learning Analytics toegang krijgen tot alle relevante digitale bronnen om zicht te krijgen op de zoektochten en publicaties van de medewerkers. Daar waar wij het normaal vinden om heel veel van onze digitale identiteit vrij te geven op sites als Facebook en LinkedIn, zijn we nog redelijk terughoudend als het gaat over onze professionele zichtbaarheid in de eigen organisatie.

Learning Analytics is hiermee een heel krachtig instrument voor zowel de medewerker in het zoeken naar voor hem relevante leerbronnen en interventies als voor de begeleider/coach om inzage te krijgen in de ontwikkelingen van de medewerker. Het geeft de organisatie een instrument om inzicht te krijgen in de medewerkerontwikkeling anders dan in tijd en geld zoals tot nu toe via de Learning Management Systemen gebruikelijk is.

15 augustus 2012

Alles wordt gratis in leerland


Met de ontwikkelingen zoals de Kahn Academy http://www.khanacademy.nl/, edX van MIT en Harvard http://www.edxonline.org/ en Open Educational Resources (OER) http://www.surf.nl/nl/themas/innovatieinonderwijs/oer/pages/default.aspx wordt er stevig getornd aan het bestaansrecht van veel onderwijs- en opleidingsinstellingen. Over veel onderwerpen is wel een gratis (hoor)college of leermiddel te vinden. Hiermee beperken deze initiatieven zich niet tot de publicatie van een presentatie van een docent of vakinhoudelijk specialist maar gaat het bij OER om complete lesprogramma’s, bij de Kahn Academy over uitleg over de meest uiteenlopende vakken en bij edX zelfs over hoogwaardige colleges. Veel onderwijsinstellingen zijn  afgelopen jaren bezig geweest met het digitaliseren van hun (hoor)colleges en opleidingsinstituten met het inzetten van virtual classrooms en eLearning. Het gebruik hiervan bleef echter veelal beperkt tot de eigen instelling.

Deze nieuwe initiatieven trekken inmiddels aanzienlijke aantallen deelnemers. Bij de Kahn Academy loopt het aantal deelnemers inmiddels al op tot boven de 160 miljoen. Natuurlijk hebben deze initiatieven te maken met veel deelnemers die ondanks hun goede bedoelingen hun cursussen niet afmaken, het is tenslotte gratis en het afbreken heeft geen consequenties. Maar zelfs bij heel laag percentage van deelnemers die dit wel doen (de completion rate) zijn er al immense aantallen deelnemers door de cursussen van zowel Kahn Academy als edX nieuwe kennis hebben opgedaan.

Is rol van opleidings- en onderwijsinstellingen in deze nieuwe markt nu uitgespeeld?

Voor het onderwijs is het antwoord op deze vraag vrij helder. Het onderwijs is voor de leerlingen vormend en bereidt zijn leerlingen voor op een plaats in de samenleving. Deze rol blijft het zelfde, alleen de invulling wordt anders. Zo wordt hier bijvoorbeeld nagedacht over het concept van “Flipping de Classroom”. De “oude” colleges kunnen als voorbereiding dienen voor het samen werken aan uitwerkingen. De colleges worden als huiswerk meegegeven en steeds meer gebaseerd worden op de gratis materialen die voorhanden komen. Daarnaast wordt het “oude” huiswerk in de klas gemaakt. Hierbij krijgt de leerling directe feedback op het toepassen van het geleerde bij het maken van opdrachten.

Voor de opleidingsinstellingen is het antwoord iets complexer. Zij hebben geen vormende taak en ook geen leerplichtwet die hen verzekert van een continue stroom deelnemers. Daarnaast wordt gratis onderwijs of opleidingen in deze economische tijden door het management van organisaties aangegrepen om flink te snijden in de opleidingsuitgaven. Om toch verzekerd te zijn van goed opgeleide medewerkers ligt het iets complexer. Bij deze vooral kostenbesparende maatregelen wordt voorbij gegaan aan de motivatie tot leren en de begeleiding van de toepassing van het geleerde.

De gratis initiatieven gaan er vanuit dat deelnemers intrinsiek gemotiveerd zijn om de lessen te volgen. Deelnemers die dit niet zijn, vallen af, vandaar de lage completion rates. Dit is voor de meeste organisaties niet wenselijk. Opleiden gebeurt met als doel het voorbereiden op nieuwe taken. Afvallen is hierbij geen optie. Daarnaast moeten de deelnemers begeleid worden bij het toepassen van het geleerde in de eigen beroepspraktijk. Bij wie gaan ze te raden als ze het niet de eerste keer kunnen toepassen of bij problemen tijdens de uitvoering? Hier liggen de kansen voor nieuwe diensten van opleidingsinstellingen.
Opleidingsinstellingen kunnen de 
  • wat (wat moet er geleerd worden),
  • waarom (waarom is dit belangrijk voor mij als deelnemer)
  • hoe (hoe moet ik het geleerde toepassen in mijn praktijksituatie)
uit de opleidingsvragen gaan scheiden. Hierbij kunnen zij de wat vraag prima invullen met de nieuwe gratis initiatieven of andere goedkope kennisgeoriënteerde varianten zoals eLearning en zelfs traditionele boeken. De nieuwe diensten richten zich op het inspireren van medewerkers zodat deze weten waarom het aan te leren onderwerp  belangrijk voor hen is en het laten oefenen van de deelnemers met de nieuwe materie om hen zo vaardig te krijgen in het uitoefenen van de nieuwe taken of werken met nieuwe producten.

16 november 2011

Het ePortfolio in Corporate Learning


Reeds enige jaren geleden is er door Stichting Kennisnet bij de NEN een standaard vastgelegd  voor de uitwisselbaarheid van ePortfolio’s. Hier wordt tot op heden echter weinig mee gedaan in het bedrijfsleven. Ondanks de inspanningen van stichting STEPS, is het voornamelijk een speeltje geweest van onderwijsinstellingen. de leeromgevingen die in het onderwijs gebruikt worden hebben deze standaard voorzichtig opgenomen, de LMS leveranciers uit de bedrijfsopleidingen hebben hier niets mee gedaan. sterker nog zij weten veelal niet van het bestaan hiervan.

Met de toename van het gebruik van leer en werkvormen die competentie gericht leren en EVC 's ondersteunen in bedrijfsopleidingen, lijkt het er op dat grote organisaties portfolio’s gaan omarmen. In korte tijd is dit onderwerp al in gesprekken bij diverse grote organisaties aan de orde gekomen. Het wordt hiermee wellicht het maatschappelijk instrument waar het ooit voor bedoeld is. Een persoonlijke map die je vanaf het onderwijs je hele werkende leven met je meeneemt en vult met die producten waar je trots op bent. 

Hiermee zullen de leveranciers van corporate leeromgevingen (LMS-en) deze standaard ook gaan omarmen zodat ze de nieuwe werk en leervormen zoals competentiegericht leren en EVC's ondersteunen met een  portfolio wat ingericht is op openheid, connectiviteit en verrijking. Daarnaast zullen organisaties de HR processen rond persoonlijke ontwikkel plannen en (jaar)beoordelingen moeten richten op het vullen van het ePortfolio van de medewerker. 

Kortom het ePortfolio is iets om de komende jaren rekening mee te gaan houden in corporate learning.
Een mooi moment om hiermee te beginnen is het Nationaal ePortfolio congres op 7 december.




23 juli 2011

Society 3.0

Vakantie…. Eindelijk eens tijd om wat achterstallig leeswerk te doen. Zo stond het boek Society 3.0 van Roland van den Hoff hoog op de lijst van mijn eReader om nog eens aandachtig gelezen te worden in plaats van het “scannen” van boeken zoals dit de rest van het jaar veelal gebeurt.

Het boek geeft een helder overzicht over de nieuwe wereld. Veel andere publicaties over de veranderende orde worden aangehaald en komen in dit boek op een logische manier samen. Zelf heb ik het een beetje gehad met het 1.0, 2.0 en 3.0 denken. Het heeft mijns inziens een te sterke relatie naar technologie en de releases van software. Ik zie 3.0 liever omschreven als social in termen van netwerken en organisaties of semantisch in termen van het web.

Maar het boek brengt veel van de nieuwe inzichten op de samenleving bij elkaar. Waar deel 1 nog begint als een klaagzang over de vele toezichthouders en organisaties zonder bestaansrecht, pakken de delen 2 en 3 het goed op door in deel 2 het effect van de nieuwe orde op verschillende aandachtsgebieden te tonen en in deel 3 aan te geven hoe je het zelf kunt organiseren. Jammer is wel dat hij iets te vaak en te nadrukkelijk zijn eigen diensten Seat2Meet en Mindz onder de aandacht brengt als voorbeeld van hoe het zou moeten werken. Ik begrijp dat hij overtuigd is van zijn nieuwe visie en het hoe hij dit oppakt in de diensten van Seats2Meet en Mindz, maar ik zou graag zelf deze conclusie getrokken hebben. Nu voelt (een deel van het boek) aan als een verkoop verhaal van deze diensten. Dit leidt de aandacht af van het goede overzicht van de impact van het nieuwe sociale evenwicht op de maatschappij en de hierin opererende bedrijven en organisaties.

Al met al is het boek een aanrader voor een ieder die wil overleven in de nieuwe wereldorde, waar de macht weer ligt bij de consument (of beter de prosumer) en waar organisaties af moeten van het 80-20 denken en zich meer moeten richten op de “long tail” en hun werkelijke toegevoegde waarde. Zeker ook omdat dit boek uitgegeven en “verkocht” wordt op de manier welke zij zelf propageert. Zo heb ik het aangeschaft met een “tweet” en heb mij aangesloten bij de community van volgers.

30 april 2010

Learning in 3D

The Internet becomes 3D, how will learning organisations adept to the next generation Internet?

Reading and discussing the book “Learning in 3D” from Karl Kapp and Tony Driscoll, in a virtual group of innovative minds (http://blog.hansdezwart.info/2010/04/07/learning-in-3d-please-join-my-reading-group/) and communicating about it using the technology the book describes, is a complete new reading experience. It definitively makes you more alert on the content.

Reading the first chapter gives you an overview on the historic perspective of the Internet and the World Wide Web. This also raises a question, since the authors see the three evolutions of the web. 1st search and find 2nd share and collaborate and for the 3rd phase they describe the immersive web. In my perspective however, the commonly accepted phases are described as 1st publish, 2nd transaction and the 3rd phase is described as the semantic web. The next generation web will give answers to questions, instead of finding documents or persons as is characteristic for the 1st and 2nd phase of the web. That it will become immersive is in my opinion just a matter of growth and acceptance. Becoming semantic is a true change of behaviour, since it will be able to give answers to complex questions and is able to defeat languages barriers.

The second chapter describes how everything has changed by technology, except the learning function. Classrooms and teaching are still the same a they where the last centuries. The summary of the introduction of this chapter is best described in the introduction of the film “We are the people we've been waiting for” from Lord David Puttnam (director if the killing fields)

According to the book, there are 7 problems for the learning industry to address;

  1. The autonomous learner problem. Learners are most motivated to learn by themselves at their own workplace. With the large amount of available information the learners need the classroom less.
  2. The timing problem. It takes too long to develop a traditional learning program.
  3. The packaging problem. Traditional learning is based around topics. The learning need is based around tasks.
  4. The performance problem. Learning needs in an organisation are multi causal. Traditional learning is based around isolated issues.
  5. The routinization problem. Learning is build around the ‘dominant design’. Technology is used to make learning events looking like classrooms or lessons.
  6. The transfer problem. Traditional learning does not change the organisational behaviour.
  7. The values Problem. The learning function is focused on adding value to the individual, while the organisation is investing in learning to add value to the business. By making learning cheaper the learning function is marginalising itself. The learning function should be focussed on bringing stakeholder value instead of being subject to costcutting.

Networked learning is a format in which you stimulate your network to work on your learning experience. This stimulates a new way of learning. The learning for new business solutions. This is called generative learning. This opposed to the learning for optimising those functions we already know, productive learning. Both learning formats can coexist next to each other. But where we have optimised the productive learning formats, we have a lot of evelopment to do on the generative learning format.


03 maart 2010

Open Content

Het wordt tijd om weer eens wat meer aandacht te besteden aan Open Content en Open Access. Was 2009 nog door SURFfoundation uitgeroepen tot Open Access jaar, is het begin dit jaar een beetje stil geworden rond deze initiatieven.

Nog even uitleggen wat Open Content en Open Access nu eigenlijk is. Open Content gaat er vanuit dat publicaties van artikelen of creatieve uitingen, vrij toegankelijk zijn voor een ieder die hier gebruik van wil maken. Dit is niet helemaal gelijk aan open Access, waar bij nog wel degelijk rechten op de inhoud gelden, maar hier een restrictie op zit van een bepaalde termijn of doelgroep. Dit kan zijn dat deze artikelen bijvoorbeeld na een half jaar vrij ter beschikking komen of dat deze binnen bijvoorbeeld de doelgroep onderwijs vrij toegankelijk zijn.

Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen verdien model achter Open Content of Open Access materialen zit. Echter het businessmodel zit het niet in de content zelf maar in de diensten die naar aanleiding hiervan geleverd worden. Een voorbeeld uit het onderwijs is bijvoorbeeld dat de leermiddelen die in een opleiding gebruikt worden vrij toegankelijk zijn, maar de diensten zoals deelnemen aan een leergang en/of laten afnemen van assessments betaalde diensten zijn. De onderwijsinstelling die zijn materialen vrijgeeft kwalificeert zich hiermee om additionele diensten betaald te kunnen leveren. Een ander voorbeeld uit de entertainment industrie is dat de muziek van een artiest vrij te downloaden is, maar deze artiest trekt hiermee publiek naar de concerten waar is.

Ergens in de vorige eeuw heeft iemand ons doen geloven dat een kopie dezelfde waarde heeft als het origineel. Heeft een foto van de Mono Lisa dezelfde waarde als het originele schilderij? Of heeft een opname van een concert van U2 dezelfde waarde als het originele concert? Traditionele uitgeverijen laten ons in ieder geval geloven van wel. We betalen hier voor eerder geleverde diensten waarvan het merendeel van de inkomsten niet eens belanden bij de originele auteur of artiest. Dit terwijl deze artiesten en auteurs, met de huidige internet technologie, voldoende mogelijkheden hebben om zicht te profileren en zo hun diensten (concerten) aan de markt te brengen. Er komen steeds artiesten welke deze weg ontdekken en bekend raken zonder tussenkomst van de entertainment industrie.

Natuurlijk is dit bedreigend voor de traditionele bedrijfstakken. Zo zullen bijvoorbeeld de uitgeverijen en de entertainment industrie zich moeten beraden over waar hun toegevoegde waarde nu precies ligt. Het beschermen van de content middels copyright blijkt steeds meer een achterhoede gevecht te gaan worden. CD verkopen nemen dramatisch af en het downloaden is, ondanks de protectionistische maatregelen van de gevestigde orde, niet meer te stuiten. Beter is het om nieuwe businessmodellen te omarmen waaruit de toegevoegde waarde van hun diensten blijkt. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de wetenschappelijke uitgeverijen Plos en Biomed central. Deze hebben hun toegevoegde waarde in het redactie proces. De grootste belanghebber is hier de auteur, welke erkenning zoekt voor zijn onderzoek en expertise middels zijn publicaties. Deze is bereid hiervoor te betalen, terwijl de lezer deze content vrij ter beschikking krijgt met de zekerheid van kwaliteit door een professionele redactie. Een ander voorbeeld zijn de gratis kranten zoals Metro welke hun business model gewijzigd hebben naar advertentie inkomsten. Hiermee hebben zij een belang in een zo graat mogelijke (gratis) oplage, aangezien dit hun advertentie prijs bepaald.

Hier hoort een nieuw licentie model bij. Copyright hoort bij de oude wereld en is door de architectuur van het Internet gewoonweg niet te handhaven. Het leidt tot vele zinloze rechtszaken waarmee de gevestigde orde krampachtig probeert haar belangen te verdedigen. Creative Commons past beter bij het Internet en de nieuwe business modellen. Hierbij geeft de auteur de rechten voor het gebruik van zijn materialen, maar heeft wel de mogelijkheid zich hiermee te profileren door naamsvermelding te verlangen en/of enkel andere restricties aan het gebruik te verbinden. Toch vindt deze licentie vorm nog niet de weg naar het grote publiek. Daarom is er blijvende aandacht voor de Open Access en Open Content initiatieven zodat deze modellen geaccepteerd worden bij een breed publiek en bedrijven gestimuleerd worden om te komen tot business modellen welke gericht zijn op hun echte toegevoegde waarde.

29 januari 2010

Mobile Learning heeft een volwassen platform

Al enkele jaren wordt Mobile Learning gepresenteerd als het ultieme mechanisme om leren zo dicht mogelijk op de werkplek van de lerende te krijgen. de mogeijkheden van een gemiddelde smartphone zijn echter door zijn schermgrootte en gebrekkige userinterface beparkt. door de komt van touchscreens op deze apparaten is de userinterface al aanzienlijk verbeterd, maar de schermgrootte bleef een probleem.


Met de lancering van de Apple iPad heeft Mobile Learning eindelijk een platform gekregen waarop kwalitatief hoogwaardige leeractiviteiten kunnen plaatsvinden. met de eenvoud van een mobiele telefoon met touchscreen en de beeldkwaliteit van een Laptop. het is hiermee een apparaat waarmee (leer)bronnen geraadpleegd kunnen worden. voor het ontwikkelen hiervan zullen andere apparaten dominant blijven.

Ik heb hoge verwachtingen van de het gebruik van dit apparaat, al was het alleen maar om de grote hoeveel applicaties er al zijn vanuit het iPhone en iTouch platform. Daarnaast heeft het als alle apple i-producten een hoge gadget waarde. Dit speelt zeker mee in het succes. Zelf ben ik nog wel benieuwd hoe een touchscreen toestenbord aanvoelt.

28 januari 2010

Learning Technologies 2010

Na een jaar van stilte is de Learning Technologies conferentie in London een mooie aanleiding om mijn Weblog weer eens op te pakken. Er is na een jaar van weinig buiten de deur weer wat te melden.

Laten we maar beginnen met een mooie quote uit de opening van de Learning Technologies conferentie; "The major fear of a Learning Department is that the organisation goes out to explore all kinds of learning opportunities, leaving the Learning Department behind with a smaller audience to do its old show.....". Opmerkelijk is ook dat een van de huisregels gewijzigd is in "Laat uw telefoon aan staan". dit zodat er voluit geblogd en getwittert kan worden. Hierdoor is de PC ook nauwelijks meer aanwezig als aanteken gereedschap in de zaal. Er wordt of weer gewoon met pen op papier geschreven of druk getwittert en geblogd op de smartphones.

Hierna gaf Lord Puttnam in zijn keynote speech aan dat de leren na de crisis er nooit meer zo uit gaat zien als voor de crisis. De crisis heeft verschillende initiatieven gestart die leren dichter bij de werkplek, goedkoper en uitdagender heeft gemaakt. Hier gaat de organisatie geen afstand meer van doen. Hiermee trekt hij de parallel naar WOII. Reeds in de oorlog werden er visies ontwikkeld over hoe de naoorlogse samenleving er uit zou zien. Dit zelfde moeten we nu doen voor leren. Het huidige onderwijs is gevormd door de noodzaak van langdurige en uniforme productie capaciteit uit het industriële tijdperk.

De jeugd wordt geconfronteerd met uitdagingen die groter zijn dan ooit in het verleden. Denk hierbij oa. aan natuurrampen, terrorisme en klimaatveranderingen. Hiervoor zal hun generatie moeten komen met nieuwe en slimme oplossingen. Hiervoor zullen ze opgeleid moeten worden. Hierbij is goed onderwijs altijd relevant en blijft, allen wat we onder goed onderwijs verstaan veranderd. Kinderen starten met zich zelf te onderwijzen als wij hier in hun ogen niet toe instaat zijn. Kijk hiervoor naar de voorbeelden op YouTube.

Daarnaast heeft het oude onderwijs een voorliefde voor assessments, toetsen en examens. De nieuwe generatie heeft echter geen behoefte aan deze schijnzekerheid. Het geeft alleen aan dat je goed kunt reproduceren niet of je vaardig bent in jouw praktijk. Men weet zelf heel goed wanneer men succesvol is en wanneer niet. Dit leren ze al in de games. Als je crasht deed je het fout, als je heel aankomt dan deed je het goed. Dit werkt zo ook in de praktijk van alledag. Je bent wel of niet in staat een taak uit te voeren, het onderwijs met je allen helpen deze bekwaamheid te verkrijgen.

Hij gaf aan dat een van de belangrijkste belemmeringen voor de vernieuwing van het onderwijsstelsel de pers is. veel politicy zijn bang voor de publieke opnie en veel ondernemers voor de vakbond. Deze worden in belangrijke mate beïnvloed door het begrip of onbegrip van de pers.


23 december 2008

De studieloopbaanbegeleider als projectmanager van het leertraject

De studieloopbaanbegeleider ondersteunt de deelnemer aan een competentiegericht leertraject bij het maken van zijn persoonlijke leerplan en het valderen van, voor zijn leertraject, relevante praktijksituaties. Hiermee is een nieuwe rol ontstaan in de onderwijs en opleidingen wereld. Hij is geen docent die de inhoudelijke kennis overdraagt aan leerlingen, maar de procesbegeleider van het leertraject, die de deelnemer helpt bij het zelfstandig invullen van het leertraject en het opbouwen van de bewijslast van zijn competentie. Hierbij biedt hij de deelnemer toegang tot een groot aantal leeractiviteiten waar deze al dan niet gebruik van kan maken. 

De inhoud is tot op heden een van de zekerheden van de traditionele docent. Bij de studieloopbaanbegeleider is de inhoud echter niet meer het belangrijkste, hij begeleidt het leerproces. Bij de implementatie van het competentiegericht leren in het bedrijfsleren komt er nog een belangrijk aspect bij; elk leertraject moet rendabel zijn. En de studieloopbaanbegeleider is de uitgelezen persoon om deze rendabiliteit te bewaken. De projectmanager van het leertraject is ontstaan.

In het onderwijs is deze taak tot op heden minder relevant geweest. Bij de aanvan van elk studiejaar worden het aantal aangemelde deelnemers ingeroosterd bij de studierichtingen en beschikbare begeleiders en docenten. De rendabiliteitsvraag ligt hierbij de planning afdeling en wordt hier in de regel maar een keer per jaar gesteld; hebben we voldoende deelnemers voor het aantal begeleiders en docenten? Hierna kan de studieloopbaanbegeleider zich weer volledig op de kwaliteit van het begeleidingstraject storten.

Bij bedrijfsopleidingen laten deelnemers zich echter niet in studiejaren plaatsen. Een deelenemer kan nu eenmaal op elk moment in dienst komen of een nieuwe rol krijgen, daarnaast is het aantal rollen in een organistie divers. Hierdoor is elk leertraject individueel en kan er hooguit wat geoptimaliseerd worden door deelnemers van leertraject voor een gelijke rol bij elkaar in een groep te plaatsen. Daarnaast zijn de middelen waarmee het leertraject bekostigt moet worden altijd beperkt. Deze komen over het algemeen uit het budget van de manager die zijn medewerker opgeeft voor het leertraject en zijn opgebouwd uit de aspecten geld en tijd. Geld kosten de uren van begeleiding en de leeractiviteiten welke door de deelnemer afgenomen worden. Tijd is de tijd die de deelnemer weg is van zijn dagelijkse werk en dus niet kan bijdragen aan de omzet en winst van de organisatie. Als de laatste ook in geld uitgedrukt wordt valt deze over het algemeen nog hoger uit dan de primaire kosten van het leertraject. De manager heeft een continue behoefte aan monitoring van het budget. Diegene met het meeste zicht hierop, is de studieloopbaanbegeleider.

Hierdoor wordt de studieloopbaanbegeleider in het dilemma geplaats om continue een keuze te maken tussen de kwaliteit van de begeleiding en de beheersing van de middelen die hem ter beschikking worden gesteld door de manager van de deelnemer. Hiervoor strat hij dit traject met het maken van een aantal afspraken;
  • Wat is het einddoel van het leertraject (wanneer is de deelnemer competent)?
  • Hoe lang mag het leertraject duren?
  • Hoeveel middelen zijn er beschikbaar voor de uitvoering van leeractiviteiten?
  • Wat is het maximale aantal dagen dat een deelnemer uit de dagelijkse werkzaamheden gehaald mag worden?
  • Wat is de studieinspanning die van de deelnemer verlangt wordt (naast werktijd)
Hierover zal een afspraak worden vastgelegd waar zowel de deelnemer, manager als studieloopbaanbegeleider zich op kunnen beroepen tijdens het traject. Pas als hier duidelijkheid over is kan de deelnemer het leertraject starten en kan de studieloopbaanbegeleider, naast zijn begeleidingsrol, zijn projectmanager rol vervullen.

In hoeverre is de uitbreiding van deze rol nu ook zinvol voor het onderwijs? Hier is welliswaar geen sprake van werkbelasting, er is alleen een studiebelasting. Toch brengt elke deelnemer een eigen budget mee. Zou het niet zinvol zijn als de studieloopbaanbegeleiders uit het onderwijs ook wat bewuster zijn over de uitputting van deze middelen? Zeker als in de onderwijswereld de studiejaren gaan vervagen en men een steeds flexibeler aanbod gaat krijgen zoals bijvoorbeeld het aanbieden van post-HBO opleidingen aan medewerkers van bedrijven....

08 december 2008

IT ondersteuning bij onderwijs en opleidingen

Het nieuwe leren is competentiegericht,  leren van de praktijk, in de praktijk, door de praktijk. Deze praktijk kan heel divers zijn en hoeft op zich niets te maken te hebben met informatietechnologie. Toch zijn IT competenties onontbeerlijk bij het volgen en verzorgen van een competentiegericht leertraject (of Flexibele LeerRoute). Aangezien de deelnemer zijn (of haar) eigen leervragen opstelt en vaardigheid van zijn competenties verkrijgt in zijn eigen praktijk, is het wenselijk dat het zoeken naar informatie, kennis en leeractiviteiten op individuele basis ondersteund wordt. 
Daarnaast zijn de Internet vaardigheden van de gemiddelde Nederlander aanzienlijk toegnomen door de explosieve groei van het aantal Internet aansluitingen. Zo heeft het meredendeel van de Nederlandse huishoudens breedband Internet en wordt er door de halve wereld gezocht, gecommuniceerd en gediscussieerd op het Internet. 

Hoe kan het dan zijn dat er bij zowel docenten uit het onderwijs als bedrijfsopleidingen, nog steeds zo'n grote weerstand bestaat bij het gebruik van een electronische leeromgeving en digitale leermiddelen?
Zo zijn er genoeg opleidings of onderwijs varianten waarbij het gebruik van IT tot een minimum is beperkt of zelfs niet gebruikt wordt. Hierbij wordt de flexibiliteit van het onderwijsmodel ernstig beperkt tot de ingeplande contactdagen. Het model wordt misschien wel overzichtelijker voor docenten, maar een stuk flexibel voor de deelnemer en daarmee minder gericht op de individuele kennis- en vaardigheidsontwikkeling van de deelnemer.

Hiermee lopen zowel opleidingen als onderwijs de kans hun centrale rol bij de ontwikkeling van medewerkers te verliezen. Is het momenteel zo dat persoonlijke ontwikkeling door het volgen van onderwijs en opleidingen gerealiseerd wordt. Zo kan het wel eens worden dat men zelf een kennisnetwerk opbouwd waarin de noodzakelijke kennis en ervaring rijkelijk voorhanden is. Deze kennisnetwerken maken maximaal gebruik van de beschikbare technische mogelijkheden en lopen dwars door de organisatie en over organisaties heen en worden gefaciliteerd doorkenniscentra en gedreven experts. Mocht men hier geen bevredigend antwoord krijgen dan kan men altijd nog terugvallen op het volgen van een opleiding. Het goede nieuws hierbij is dat leren een centrale rol in de dagelijkse beroepspraktijk krijgt, de keerzijde is dat het volgen van opleidingen naar de achtergrond gaat.

Als opleidingen het leernetwerk niet organiseert dan organiseren de medewerkers het zelf wel.

28 november 2008

Competentiegericht leren bij bedrijfsopleidingen

Om het onderwijs beter te laten aansluiten bij de beroepspraktijk is het Nederlandse beroeps onderwijs de afgelopen jaren overgeschakeld naar competentiegericht leren. Dit is een majeure operatie waar veel onderwijsinstellingen uit zowel het MBO als HBO nog steeds midden in zitten.

De bedrijfsopleidingen centra zijn deze periode echter doorgegaan met het verkopen van opleidingen en cursussen. Dit terwijl dezelfde organisaties wel druk aan de slag zijn gegaan met het inrichten van competentiemodellen in hun HR organisaties. Hierbij zicht gevend op de in de organisatie noodzakelijke en aanwezig kennis en ervaring. Dit heeft er voor gezorgd dat wel de terminologie van competentie gericht onderwijs is geadopteerd, maar de invulling hiervan is echter niet verdeer gekomen dan het opstellen van curricula welke opleiden tot een rol of functie in de organisatie. Een curriculum is hierbij opgebouwd uit  reeds bestaande bouwstenen, de afzonderlijke opleidingen en trainingen.  Het echt laten verdwijnen van het gat tussen praktijk en opleiding is hiermee echter niet opgelost.

Het grootste verschil tussen bedrijfsopleidingen en onderwijs zit hem in  het spanningveld tussen werken en leren. In de onderwijssituatie is werken een onderdeel van het leerproces namelijk, middels stageperiodes, het verkennen van waar en hoe de theorie in de arbeidssituatie toegepast wordt. Bij bedrijfsopleidingen gaat het, het merendeel van de gevallen over leren tijdens het werk. Hierbij zijn doelen het leren van veranderingen in de organisatie of het kunnen toepassen van nieuwe technieken of processen. Het dilemma wat hier echter speelt is als een medewerkers aan het leren is, is deze niet aan het werken en vice versa. Daarom zijn de kosten die met leren gepaard gaan niet beperkt tot de kosten van de opleiding zelf maar moet ook de niet werkbare tijd als verliespost opgenomen worden.

Dit heeft geleid tot het invoeren van het compentiegericht leren binnen de bedrijfsopleidingen organisatie. Het grote verschil met de onderwijsvariant is hierbij de beheersing van het proces. Aangezien we binnen opleidingscentra geen studiejaren onderkennen, kunnen onze deelnemers elk moment starten. Daarnaast moet de investering, die noodzakelijk is voor de begeleiding van de deelnemers, wel gedekt worden door het beschikbare budget. Hiervoor krijgt de in het onderwijs onderkende studie loopbaan begeleider er in het bedrijfsleven een taak bij, namelijk project beheersing. Het leertraject wordt een fixed price project van een aantal deelnemers met een vast einddoel en vast budget. Daarbinnen is alles mogelijk en biedt het competentie gerichte leren de ultieme vorm van praktijk relevant leren. Om dit verschil te benadrukken is hier bij Capgemini gekozen om het competentiegerichte leren de naam Flexibele Leerroute te geven.

Wordt vervolgt......

17 november 2008

Access Management

Daar waar computercapaciteit uit de "cloud" komt en functionaliteit als "services" geleverd worden, wordt toegang het belangrijkste om te managen. Wie heeft toegang tot welke functionaliteit, op welke computers draait deze onder welke voorwaarden?

Hiermee is door de invoering van nieuwe concepten zoals Cloud computing, Service orientation en Mash-up oplossingen, Access Management een nieuw vakgebied aan het worden. Dit is breder dan wat momenteel onder security valt. Hieronder valt bijvoorbleeld ook leveranciers en contract management.
Access Management is niet alleen iets voor IT afdelingen van grote organisaties maar ook van belang voor onderwijsinstellingen of opleidingscentra. Binnen onderwijsinstellingen of opleidingscentra heeft men namelijk te maken met grote aantallen wisselende deelnemers die allemaal hun eigen onderwijs mash-up's gaan maken. Hierbij zullen zij zowel opleidingsinhoudelijk hun eigen leerpad gaan samenstellen als de tooling kiezen waarmee ze ondersteuning krijgen en beoordelingproducten inleveren. De instellingen kunnen de deelnemers hierbij niet frusteren door hun toegang te weigeren op bepaalde diensten, zonder daarvoor een goed alternatief te bieden. Dit staat dan nog los van de keuzes die een instelling gaat maken over de inrichting van hun eigen IT infrastructuur. Deze laatste keuze kunnen wel eens versneld worden door de grote groep deelnemers met hun eigen keuzes en hierbij een verwachtingen hebben van de ondersteuning door de instelling.

Hoe ga je deze groep anders ondersteunen?

"A vision of students today" by Mike Wesh


05 november 2008

Change can happen

-------------------------------------------------------
We just made history. 
And I don't want you to forget how we did it.
You made history every single day during this campaign -- every day you knocked on doors, made a donation, or talked to your family, friends, and neighbors about why you believe it's time for change.
I want to thank all of you who gave your time, talent, and passion to this campaign.
We have a lot of work to do to get our country back on track, and I'll be in touch soon about what comes next.
But I wat to be very clear about one thing...
All of this happened because of you.

Thank you,
Barack
-------------------------------------------------------

Dit bericht is per email verzonden aan iedereen die Barrack Obama gesteund heeft in zijn verkiezings campagne. Hij heeft tijdens zijn campage gezegd dat het onderwijs ingrijpend gewijzigd moet worden. Hiermee heeft hij het welliswaar over de toegankelijkheid van het onderwijs. Maar ook andere vernaderingen zijn noodzakelijk om de beleving van onderwijs te laten aansluiten bij de we eens klein beginnen. IT klopt al jaren aan de deur om het onderwijs te vernieuwen. toch gaat de verandering langzaam.

Het filmpje van Lee Lefever laat op alternatieve manier zien hoe het Amerikaanse stemmechnanisme werkt. Dan kunnen we ons meteen laten inspireren om onze (digitale) leermiddelen eens creatiever in te zetten.

Change we need.





04 november 2008

Alweer een weblog over leren !

Naast de groeiende groep actieve Bloggers uit het Onderwijs en de opleidingen wereld zal ik via deze weblog een brug proberen te slaan tussen deze twee werelden. In het onderwijs is leren het primaire proces en bij bedrijfsopleidingen is dit veelal een secundair proces (behalve natuurlijk bij de commerciele opleidingsinstituten). Hierdoor zijn er regelmatig  spraakverwarringen als mensen uit deze twee werelden praten over de invulling van hun onderwijs en het bruik van IT ondersteuning.

Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het gebruk van electronische leeromgevingen. In beide werelden worden verschillende toepassingen gebruikt voor vergelijkbare situaties. In de opleidingen wereld zijn bijvoorbeeld de LMS-en (Learning Management Systeem) zoals oa. SumTotal, SABA en EKP erg populair, terwijl in de onderwijswereld de CMS-en (Course Management Systeem) zoals oa. Blackboard, N@tschool, Moodle en Sakai een soortgelijke taak vervullen. Deze begrippen worden regelmatig door elkaar gebruikt. Zo vinden veel mensen uit het onderwijs dat zij een LMS hebben, maar spreken dan bijvoorbeeld over hun Blackboard implementaie, terwijl mensen uit bedrijfsopleidingen praten over hun CMS terwijl zij bijvoorbeeld een EKP implementatie bedoelen. (Nederlandse) Onderwijsinstellingen hebben geen LMS-en en bedrijfsopleidingen hebben slechts zelden een CMS.

Wat is dan het grote verschil tussen beide omgevingen?
Dit verschil zit in het beschouwen van leren als primair of secundair proces. Een CMS als bv Blackboard ondersteunt het onderwijs als primair proces. Het facliteert de logistiek tussen docent en student. De hoofdfuncties zijn dan ook het distribueren van lesmateriaal en het communiceren tussen docent en student en tussen studenten onderling en het bewaken van voortgang. Een LMS daarentegen faciliteert het leren als ondersteuning van het werkprocesen en beschouwd leren dus als secundair. Hiervoor is een catalogus met aanwezig leerbronnen of leeractiviteiten (oa cursussen) gekoppeld aan de competenties uit de organisatie.  Hierbij is de hoofdfunctie het ondersteunen van het vinden, boeken, inplannen en doorbelasten van relevante leeractiviteiten. Veel van deze leeractiviteiten worden zelfstandig utigevoerd. Het faciliteren van communicatie is van ondergeschikt belang.

Al met al een aardig domein om met enige regelmaat een stuk over te schrijven. Ik hoop dat deze weblog een bijdrage kan leveren aan een wederzijds begrip van elkaars onderwijs wereld.
ik zal trachten zowel trends uit het onderwijs als uit het bedrijfsleven te belichten en hierbij aan te geven wat de impact op zowel onderwijs als bedrijfsopleingen heeft.